De dorpen zijn stil

Eerst, hemelhoge luchten, die geen dag hetzelfde zijn, 
daaronder land met rechte lijnen, de wierden en de dorpen.

En ieder dorp haar eigen eeuwenoude kerk met dikke muren,

eenmaal binnen ruiken ze allemaal naar vocht en steen en klei.


Weggetjes, met in het voorjaar fluitenkruid en meidoorn,

slingeren overal naar toe en nergens heen. Door kool en mosterd,

langs diepen en maren, naar polders en dijken en natte kwelders,

tot aan de zee en terug. Naar ieder dorp, met een wandelbos,

een dorpshuis, een vereniging, een eigen oplossing, probleem. 


Tussen de dorpen, de boerderijen met opbergschuren,

lanen en sloten. De kleine, rode bakstenen huisjes, met en zonder scheuren.

Een brug in het dorp is een klap, of een til

en altijd de wind. Zelfs als iemand sterft, waait de wind.
Maar in de dorpen is het stil.